Congo, een geschiedenis

Congo stond me al jaren vanop mijn boekenplank aan te staren, met die intrigerende cover die als het ware op mijn geweten speelde: wanneer lees je mij?

Het beeld van de oude Congolees met zijn rare hoed, ondoorzichtige bril en strenge, volle lippen blijft hangen op je netvlies. Daarna merk je dat hij een oude man moet zijn, want hij is knokkelig en ongeschoren, maar straalt een onverwoestbare trots uit, ondanks het feit dat je zijn ogen niet ziet. De man, die leefde op het ogenblik van het schrijven, was Papa Nkasi, de eerste opgevoerde getuige in het relaas van David van Reybrouck. Naar eigen zeggen was Nkasi 126 jaar oud. Hij was geboren in hetzelfde jaar als Igor Stravinsky of James Joyce. In Congo nog wel. Hij haalde drie keer de gemiddelde levensverwachting van dat land.

Van Reybrouck denkt eerst dat Nkasi een loopje met hem neemt, maar zijn getuigenissen over zijn tijdsgenoten Stanley of Leopold II zijn accuraat. Hij was 12 toen de spoorweg Matadi-Kinshasa werd aangelegd en kon daar relevante details over vertellen. Nkasi had niet gestudeerd, maar was een wandelende, zeg maar zittende, encyclopedie. Alleen moest Van Reybrouck oneindig veel geduld oefenen om zijn verhaal te noteren.

Het blijft niet bij Nkasi, uiteraard. De auteur gaat over het hele land op zoek naar getuigen van historische gebeurtenissen die Congo bij de vleet heeft geproduceerd.

Voor we aan de voor ons bekendere geschiedenis komen (de onafhankelijkheid, de moord om Lumumba, de machtsgreep van Mobutu) krijgen we een heel gedegen beeld van Congo sinds 1867, met de komst van Stanley. Van Reybrouck betreurt deze start, omdat het impliceert dat de komst van de eerste blanke het ontstaan inluidt van een territorium dat toch al enkele eeuwen zijn gang ging. Hij geeft meteen vijf snapshots van hoe de verre historie er kon uitgezien hebben, met de slavenhandel als rode draad.

Maar goed, de ontdekkingstocht van Stanley veroorzaakte een eerste aardverschuiving. Die tocht verliep grotendeels via de Congostroom. Congo was inderdaad nog een witte vlek op een Afrikaanse kaart. Stanley moest uit naam van Leopold II de plaatselijke hoofden overtuigen om hun krabbel te zetten onder een contract dat hun gronden voortaan zouden toebehoren aan de Belgische koning. In ruil kregen ze snuisterijen. Leopold wilde de concurrentie voor zijn, waar hij meestal, maar niet altijd in lukte. De Portugezen waren in het Zuiden heer en meester, terwijl Brazza in naam van de Fransen eveneens contracten liet tekenen. Brazza, Leopold en Stanley waren de oorzaak van de Conferentie van Berlijn in 1884-1885, waarbij de grote mogendheden de zuidelijke wereld onder elkaar verdeelden.

Het boek vertelt verder over de kolonisering van Congo, eenmaal de staat België het eigendom van de koning overnam. Blijkt dat we eigengereide en denigrerende kolonisators waren, die maar wat blij waren met de grondstoffen van Congo en in ruil paternalistische structuren oplegde. Het is daar en toen dat de fundamenten van de Belgische economie gestalte kreeg.

Waarna het de beurt is aan de politiek uit de jaren ’60 en ’70, bij ons beter bekend omdat de tirannie van Mobutu zo’n indruk heeft gemaakt. Toch ook hier presteert de auteur beter dan verwacht. Hij stelt zich niet tevreden met een historisch relaas, maar geeft een vloed aan details over de weerzinwekkende schraapzucht van Mobutu, wiens economisch beleid alleen maar gericht was op de groei van zijn eigen macht. De kleptocratie Congo, toen Zaïre genoemd, werd door hem letterlijk een kwarteeuw doodgeknepen en door het Westen aan haar lot overgelaten. Het wordt zelfs potsierlijk wanneer Mobutu, gedwongen door de grootmachten, vrije verkiezingen moet organiseren en hij, op 24 april 1990 het einde van de éénpartijstaat aankondigde. Waarbij hij enkele krokodillentranen depte, met de fameuze woorden: “Comprenez mon émotion”.

Uitgespuwd door de rest van de wereld moest hij zijn land achterlaten aan de Kabila’s, vader en zoon. Niet zo gruwelijk als Mobutu, maar zeker geen haar beter. De zoon is een volgzaam adept van de kleptocratie, maar dit keer door Congo te verpatsen aan China. Dat is waar Van Reybrouck ook eindigt: bij de Congolese expats in China, die daar een betere toekomst kunnen opbouwen dan in eigen land.

Van Reybrouck heeft veel aandacht voor de gewone burger, die als een biljartbal al decennia van de ene naar de andere kant rolt. Hij heeft het over voetbal, muziek, mode, onderwijs en haalt telkens een markant figuur voor zijn microfoon, wat zijn boek boeiend maakt tot aan de laatste bladzijde.  Zo is Congo, een geschiedenis een synthese van een tragedie die nu al meer dan honderd jaar duurt, waarbij wij eigenlijk niet mogen wegkijken.  

Ik zou zelfs een stap verder willen gaan: dit behoort verplichte lectuur te zijn. Verplicht omdat dit het pasklare raamwerk is van een dictatuur, gesteund door Westerse landen. Betaald door de plaatselijke bevolking en voor een deel ook door Belgische landgenoten. Het knikkende zwartje op elke toog, de Koloniale loterij en elke andere koloniale steun kende al die jaren maar één bestemming: de rechterzak van een luipaardenvel. De simpele Congolees was daar trouwens nooit van op de hoogte.

Wel hebben we mee geldverslindende manifestaties gefinancierd, zoals The Rumble of the Jungle, of de lancering van de eerste Afrikaanse raket, die nauwelijks 90 meter hoogte haalde alvorens die, voor het oog van een verbijsterde maarschalk, neerstortte. Meteen de metafoor voor zijn land: rijk aan kracht, arm aan cohesie.