007 – spoofs

In de vroege jaren ’60 maakte de filmindustrie voor het eerst een zware crisis door. Aan een decenniumlange heerschappij werd geknaagd door de grote concurrent, de televisie. Eerst antwoordden de grote maatschappijen met massaspektakels zoals CLEOPATRA, maar toen die ramzalig flopten, werd de rekening gauw gepresenteerd. Gedaan met experimenten: voortaan zou er meer gerekend worden. Als het traditionalisme in Hollywood ergens zijn oorsprong had, dan wel hier.
Voor het eerst werd succes gekopieerd. En uiteraard kon men niet naast James Bond kijken. DR NO, en later ook FROM RUSSIA WITH LOVE verdienden 6 maal hun geld terug, zodat tal van producers zich rijk rekenden. Met GOLDFINGER werd het gouden ei gelegd. Plots had heel Hollywood door dat met geheime agenten geld te verdienen viel. In 1965 werd de markt overspoeld met spionnen zodat rustig mag gesteld worden dat het genre bijna werd doodgeknuffeld. In 1967 was het overigens al gedaan. Wat GOLDFINGER ontketende werd door weekblad Newsweek in 1965 omschreven als de “Bondanza”, naar analogie met Bonanza, wat ‘goudader’ betekent.

DE SPIONNENFILMS (1965-1967)
De verbaasde filmganger kwam ogen te kort. Meer dan 20 films presenteerden hun geheime mannetjes. Er waren twee soorten: de ernstige spion en de James Bondkloon. De eerste stopte waar Bond begon, de tweede begon waar Bond eindigde.
Richard Burton en Michael Caine belichaamden de ernstige spion. De eerste in THE SPY WHO CAME IN FROM THE COLD waarin op een cynische manier de grimmige schemerzone wordt geschetst waarin spionnen moeten werken. Contraspionage en dubbelspionage treden op sinistere manier op de voorgrond, ten koste van avontuur en actie. James Bond is hier ver weg. Vandaar dat de film bij het grote publiek niet aansloeg maar bij kenners als een klassieker in het genre geldt.
THE ICEPRESS FILE, FUNERAL IN BERLIN en THE BILLION DOLLAR BRAIN presenteerden geheim agent Harry Palmer. Deze films waren gebaseerd op de boeken van Len Deighton, wat ze meteen een ijzersterke structuur bezorgde. Caine speelt hier een stoïcijns geheim agent die in alle stilte het raadsel ontrafelt. Vooral de eerste film kreeg goede kritieken en werd bij de beste tien van het jaar gerekend. Het feit dat Ken Adam, Peter Hunt, John Barry en Guy Hamilton meewerkten, en dat -of all people- Harry Saltzman producer was, verklaart veel.

De tweede soort, de klonen, bood minder kwaliteit. Matt Helm en Derek Flint voerden een leger nietsnutten aan die de filmgeschiedenis nauwelijks beroerden.
Matt Helm was nog de succesrijkste kloon. Acteur Dean Martin gaf deze rol gestalte, maar het moet gezegd dat drinken en flirten hem altijd goed zijn afgegaan. Helm is een fotograaf die door ICE wordt opgeëist in de strijd tegen de Oosterse groep Big O. De plots waren onnozel, de vrouwen mooi, Helm had een ronddraaiend bed en stapels gadgets. (De leukste was een achteruitschietend machinegeweer: je reinste slapstick). De Matt Helm films waren: THE SILENCERS, MURDERERS ROW, THE AMBUSHERS, THE WRECKING CREW.

Derek Flint stak slechts twee keer zijn neus aan het venster. in ‘OUR MAN FLINT’ mag Derek Flint van ZOWIE het opnemen tegen GALAXY, een organisatie à la SPECTRE, die de wereld bedreigt door het weer te controleren. Dàt was nog eens een goed idee! (later opnieuw gebruikt voor THE AVENGERS, de film uit 1998)
Flint gaat de strijd aan met slechts één wapen: een aansteker, die dan wel 83 manieren bezit om de vijand te doden. Ik betwijfel of we ze alle 83 hebben gezien, want het vervolg, IN LIKE FLINT, werd zo snel ineengeflanst dat een derde film niet meer hoefde. De spionnenbui was trouwens over: Vietnam werd het volgend goudhaantje.

DE TV-FEUILLETONS
Zonder Bond was men wellicht nog aan het klungelen met politieagenten en detectives. De betere spionnenfeuilletons hadden geleerd van de filmfiasco’s en deden iets meer dan teren op het Bond-imago. Stuk voor stuk voegden ze een eigen streepje originaliteit toe, wat hen op hun beurt tot onsterfelijke klassiekers maakte. Daar kom ik wellicht later op terug.

DE JAMES BOND-SPOOFS
Want Het Filmmuseum te Brussel brengt in de maand april tal van James Bond-spoofs uit.
Wellicht een reden om de kern van dit betoog te richten op deze films die anders weinig aandacht krijgen.
Eerst en vooral: wat is een spoof?
Een spoof is een filmgenre, dankbaar voor een producer, licht verteerbaar voor de doorsnee filmkijker en easy money voor de acteurs. Niemand neemt het au sérieux, niet de regisseur, noch de acteurs en zelfs niet de kijkers. Maar aan het eind telt de producer wel zijn centjes.
Spoofs ontleenden hun bestaansrecht in 1965, nadat dure spektakelfilms, genre Cleopatra (1965), het bestaan van de filmindustrie zelf in gevaar brachten.
Wie in moeilijkheden geraakt, grijpt naar defensieve tactieken, het is, zeker in de filmindustrie, niet anders. De kosten werden drastisch teruggeschroefd, opnametijd beperkt en de scripts werden losse doorslagen van succesfilms. De tagline (publicitaire oneliner) voor een spoof was gauw gevonden: een flutfilm die uit is voor je drie keer flut kan zeggen.

Het hoeft niet gezegd dat James Bond het mikpunt bij uitstek werd. Het succes van de serie, op dat ogenblik nog maar drie films, stak de ogen uit en na de grand slem van Goldfinger was het écht voor iedereen duidelijk: met geheime agenten viel geld te verdienen. Veel geld.

Niet alle kopieën haalden kwaliteit. Weinig zelfs. Haast geen. Zo goed als niets. Nada. Maar binnen die wereld van spoofs valt toch licht te onderscheiden in de duisternis.

OK CONNERY (1967)
OK Connery is voor het hedendaagse filmpubliek een onbekende film. Ook in 1967 ging deze film haast geruisloos voorbij. De grootste gimmick staat op de affiche: de film wordt gedragen door Neil Connery, broer van.
In de plot wordt daar trouwens geen doekjes om gewonden. Misdaadconcern Thanatos, schatplichtig aan SPECTRE, heeft niet meer of minder dan de werelddominantie op de agenda staan. De gewone geheim agent, 007 weet je wel, is even met iets anders bezig. Dus gaan we het maar aan zijn broer vragen. Compleet maf als uitgangspunt, maar het publiek van 1967 lustte daar wel pap van.
Nu heeft Neil Connery misschien niet het sexappeal van Sean, maar hij kan wel hypnotiseren, liplezen en is een eerste klas plastisch chirurg. Ziedaar de ideale eigenschappen voor de 007 ½ van deze editie.
De productie tapte uit hetzelfde vaatje door tal van originele James Bondacteurs te casten. Bernard Lee (M), Lois Maxwell (Moneypenny), Adolfo Celi (Thunderball), Anthony Dawson (Dr. No) en Daniela Bianchi (From Russia with Love) staken een handje toe. Als klap op de vuurpijl componeerde Ennio Morricone de filmmuziek.

Daarmee zou het wel lukken, dacht men. Hangt er van af welke definitie je hanteert. Voor de producer was de winst meegenomen, voor de kijker was het een stuk minder. Met deze film werd pijnlijk duidelijk dat de som van de elementen niet noodzakelijk hetzelfde geheel opleverde.

Na al die jaren moet OK Connery toch enige verdienste worden toegekend. Het slechtste moest nog komen en sommige grappen zijn beter dan die Leslie Nielsen zou recycleren, twintig jaar later.
De film kende een heel bescheiden carrière, mede doordat het filmpubliek in die tijd nog niet echt goed was ingelicht.
In de VS werd de film uitgebracht onder de titel Operation Kid Brother. De tagline (“Too much for One Mother”) werd gepikt van Casino Royale, dat eerder in hetzelfde jaar uitkwam: “Too much for one James Bond”.

MATT HELM: THE WRECKING CREW (1969)
Het minste dat je van deze Matt Helm verfilming kan zeggen is dat het de beste van de vier is. Opmerkelijk is dat (de Amerikaan) Matt Helm assistentie krijgt van (de Engelse) Freya. Beiden moeten de financiële gevolgen van een gigantische goudroof verhinderen. Remember GOLDFINGER. De plot was ok, de vrouwen pica bella. Dean is grappig, het hele eind door, maar de film wordt gestolen door Sharon Tate, die een spectaculaire metamorfose ondergaat van nerd tot beautie.
Hoewel er plannen waren voor een vijfde, (THE RAVAGERS) en een zesde (MATT HELM MEETS TONY ROME, met Frank Sinatra) werd dit de laatste Matt Helm. De spionnenrage was gedaan. Of beter, in 1967 verwachtte het publiek meer dan een los doorslagje. De televisie zou voortaan de rol overnemen met kwaliteitsvolle series als THE PRISONER en THE AVENGERS.
Nog een weetje voor de liefhebbers: THE WRECKING CREW werd het filmdebuut van Chuck Norris.

THE NUDE BOMB (1980)
In 1980 oordeelde men opnieuw de tijd rijp voor een persiflage op de beroemdste spion. THE NUDE BOMB was vaag gebaseerd op de karakers van GET SMART, een tv-serie die zelf een parodie was op James Bond.
De film wordt gedragen door de razernij van een geflipte modeontwerper, met de toepasselijke naam Kaos. Die eist onmenselijk veel geld voor een chantage op de wereldbevolking. Kaos kende een trucje met naaktbommen. Na een paar van die bommen zou de hele wereld naakt rondlopen. De film lokte daarmee verwachtingsvolle kijkers, het was de tijd dat naakt een item werd in de bioscoop. Iets zegt ons dat ze die Kaos hadden moeten laten doen.
De rest van de plot is prietpraat die ik je bespaar. In de film zit noch spanning, noch actie, en ja – geen bloot. Zonde van de tijd.
Opmerkelijke acteurs: Vittorio Gasman en … Sylvia Kristel.

SPY HARD (1996)
Leslie Nielsen teerde op zijn bekendheid als “spoof-ster”. FLYING HIGH en de trilogie van de NAKED GUN maakten hem de ster van het genre, ondanks zijn gevorderde leeftijd en grijze haren. Vergis je echter niet, deze zoon van een bereden Canadese politieofficier heeft meer dan 150 films achter de rug en speelde zowat in alle tv-series van de jaren vijftig tot de jaren negentig. De veelbelovende tagline is meteen het beste van de film: “All the action, all the women, half the intelligence”.
In deze film speelt Nielsen de rol van Dick Steele, die een gekke generaal moet beletten de wereld te vernietigen. Hij vormt team met diens dochter, een KGB-agente.
De film is een typisch Nielsen-vehikel met tonnen flauwe grappen die in een duizelingwekkend tempo worden afgevuurd. Genre:
-“Operator, give me Washington?”
-“George?”
-“No, D.C.”

Enkele geslaagde knipogen naar James Bond, o.a. over diens martini, shaken not stirred. Dick Steele drinkt het liefst: een dry Manoli and Roussos on the rocks, stirred not beaten, met een twist of lemon, in chilled glasses not frozen, met twee gekrulde rietjes.
Ook de teaser van SPY HARD was een parodie op die van THUNDERBALL. In de film zijn enkele cameo’s van Mr. T, Hulk Hogan, Pat Morita, Ray Charles en Talisa Soto, Bondgirl uit LICENCE TO KILL.

THE SPY WHO SHAGGED ME (1999)
Heel wat beter dan de vorige film. Zelfs de beste film van het drieluik rond Austin Powers. De makers van spoofs hadden intussen wat geleerd van hun ervaringen, zodat ze beseften dat zelfs een spoof een zekere mate van evolutie moest ondergaan. Met Austin Powers werd voorlopig het beste marktproduct gecreëerd. Austin Powers is losjes gebaseerd op James Bond, maar kent een eigen leven, met eigen tics, geschiedenis, woordenschat en successen. Een vondst was zeer zeker het terugzetten in de tijd, naar de sixties, met al de thematische overdrijvingen die je daarbij maar kan bedenken. Austin Powers lijkt wel een agent van Carnaby Street.
Alle drie de films bezitten een gezonde gekte, deze film de stevigste fundamenten. Mick Meyers is een vat vol energie, die de leuke vondsten opstapelt. Toch is het verwonderlijk dat deze film zo’n succes werd, want de eerste Austin (MAN OF MISTERY – 1997) werd buiten Groot-Brittannië nauwelijks opgemerkt. Het openingsweekend van nummer twee bracht echter zoveel op als de hele carrière van de eerste.
THE SPY WHO SHAGGED ME leest als een plezierig intermezzo, verstand op nul, met veel situatiehumor. Onvergetelijk vind ik persoonlijk de scène waarin Liz Hurley poedelnaakt door Austins appartement drentelt, maar door zogezegd onbedoelde bewegingen van Austin nooit haar naaktheid toont aan de kijker. Met zulke scènes bewijst de spoof eindelijk haar bestaansrecht. Niet klakkeloos vegeteren, maar het brengen van een andere stem, een eigenzinnige variatie op een overbekend thema.
Met Austin Powers, GOLDMEMBER (2002) werd vooral bewezen dat de ideeën op waren.

JOHNNY ENGLISH (2003)
JOHNNY ENGLISH is voorlopig de beste James Bond-spoof, zonder daarbij het predicaat “onvergetelijk” boven te halen. Veel heeft te maken met het schrijversduo Neil Purvis & Robert Wade. Zij kennen James Bond van binnen en buiten doordat ze ook het scenario leverden voor THE WORLD IS NOT ENOUGH en DIE ANOTHER DAY. De Bondfilms met Daniel Craig vallen eveneens onder hun verantwoordelijkheid.

De premisse blinkt uit door duidelijkheid en rechtlijnigheid. De Britse Kroonjuwelen worden gestolen, wat bijna synoniem is voor de val van het Britse Rijk. De bekendste geheim Agent van Engeland (je weet wel) wordt aangeduid, maar mislukt jammerlijk. Wanneer hij plechtig ten grave wordt gedragen door al zijn collega’s (behalve één) wordt ook die begrafenis opgeblazen, waardoor alle spionnen omkomen (behalve één) .
Johnny English is nu de laatste hoop voor Engeland. Hoewel de tagline niet veel goeds belooft: He knows no fear. He knows no danger. In fact, he knows absolutely nothing.

De film heeft opgemerkte rollen voor John Malkovich en Natalie Imbruglia.
JOHNNY ENGLISH is geen daverende film, daarvoor zijn er te weinig momenten die blijven hangen. Maar het is wellicht wél de meest ernstige poging tot dusver voor een niet ernstige Bondfilm.

CASINO ROYALE (1967)
Maar je zat natuurlijk te wachten op de bekendste 007-spoof: Casino Royale. Voor een goed begrip: van het eerste boek van Fleming werden nu drie films met deze naam geadapteerd. De eerste CASINO ROYALE was een tv-film uit 1954, met Barry Nelson als James Bond.
De Derde film is de langspeelfilm uit 2006 met nieuwe Bond Daniël Craig.
Vanaf nu heb ik het heel even over de tweede CASINO ROYALE, die eigenlijk het predicaat Bondfilm niet hoort te dragen. Fleming heeft zich zeer zeker in zijn graf gedraaid.
Het is onbegonnen werk om het verhaal of wat daarvoor moet doorgaan te vertellen.
Van Fleming’s werk schiet hoegenaamd niets over. De plot draait vaag rond een baccarattafel; Le Chiffre hangt wat in de buurt, net zoals een zevental James Bonden. De meest absurde dingen zijn te zien: van een indiaan die van een vliegtuig springt tot de Cavalerie die plots met klaroengeschal het casino binnenvalt. CASINO ROYALE was NAKED GUN avant la lettre. We zullen er in een latere bijdrage op terug komen.

De première was in april 1967. De film bracht aardig op. Het publiek dacht immers met een echte Bondfilm te doen te hebben en reageerde teleurgesteld. Broccoli & Saltzman betreurden dat zij niet steviger hadden doorgezet. De opbrengst van YOU ONLY LIVE TWICE zou eronder lijden.
Dat zou Feldman niet meer baten. Na CASINO ROYALE produceerde hij geen enkele film meer. Hij blies zijn laatste, royale, adem uit in 1968, en het was niet in een casino.

From Raymond, with Love

Bovenstaand artikel was de basis voor een gesprek in het Radio-1 programma Mezzo van 2 april 2008