A Thing of Beauty is Ajay forever

Was nog maar eens in Londen, zomaar. Gek op Eurostar, Streets of Londen, Mind the Gap, Indian curries, Duke of Yorks en Queen Victoria’s, steak & kidney pie’s, a pint of guiness, four pounds sixty, please. Telkens de Londense keizerlijkheid mij in haar greep krijgt, ga ik overstag. Flabberbashed: weke knieën, ijle kop, instinct dat met je gaat lopen. Anderen zijn maanziek, so what?
Deze keer kwam ik niet voor de fun, hoewel, ik kwam voor Ajay, da’s ook fun, die gast. Ajay Chowdury is de editor van Kiss Kiss Bang Bang, het internationale tijdschrift voor James Bondfans. Geen flashy informatie die de dag erna een stille dood sterft, maar ploegdikke backstage info waar je als rechtgeaarde Bondfan bazooka van wordt. Van Ajay ben je blij dat “je hem in je team hebt”.

De pub naast de Odeon op Leicester square, Moon in the Water, leek mij een prima afspraakplaats. Na de kennismaking stelde Ajay een gidsbeurt voor door het Londen van 007. Altijd plezierig om van een crack te leren.
Via Coventry Street trokken we via Leicester Square naar Piccadilly Circus. Ajay gaf me een overzicht van het aantal cinema’s dat op dit kort stukje al R.I.P. waren. Daar ook, jawel. Prachtige Empirestijl gebouwen, die gelijkvloers, vaak spuuglelijke, souvenirwinkeltjes dulden, of in het beste geval, de onvermijdelijke boetiekketens, bekend in al onze Europese steden. Op de hoek van Piccadilly Circus en Coventry Street zoek je nu tevergeefs het ooit beroemde restaurant Scotts. Fleming had een vaste tafel op de hoek, waarbij hij zowel Piccadilly als Haymarket in het oog kon houden.
De nagedachtenis van Fleming is overigens prominent aanwezig op de rest van de wandeling. Jermyn Street, het paradijs bij uitstek voor de British Upper Class, de stijf geboren Britten, die zo vakkundig de balans kunnen houden tussen discrete charme en onbereikbaar sentiment, was een natuurlijke biotoop voor Fleming. Ajay toonde me waar de hoedenmaker van Fleming zich bevindt – nog steeds -, het winkeltje waar hij zijn rookwaren kocht, zijn schoenen, kortom zijn hele garderobe. Ook de maag en de lever van Fleming kenden deze omgeving goed. Exclusieve clubs, chique restaurants, waar het een voorrecht is te worden bediend, a privilege. Een stamboom van minstens tien generaties all English is een must. Niet voor deze jongen dus.

Van St James naar Mayfair kom je zowat door de duurste stukjes Londen, als je de open haard van Buckingham Palace niet meetelt. Ajay vermeldt tussen neus en lippen dat: “All those guy’s have a bank-account in Switzerland.”
Discretie is een prijzenswaardig argument in dit deel van de stad. De Ian Fleming Publications, bijvoorbeeld, vind ik nooit meer terug, zo brutaal bescheiden ze is gelegen boven een alledaagse boetiek.
Berkeley Square: een openbaring. Riant plein met parkje, zoals je er in Londen veel vindt. Rechthoekig. Grosvenor Square, wat verder, had ooit de Fleming Bank, die nog aan de grootvader van Ian Fleming behoorde. Weet je meteen in welke categorie Ian speelde.
Diagonaal erover heb je het uitstalraam van Rolls Royce en Bentley. Zelfs ernaar kijken doe je best in smoking. In een zijstraat van Green Street staat een machtige huizenrij, waar ooit Fleming in zijn jonge jaren woonde – en, o ironie, in een ander tijdperk, ook Cubby Brocolli.
De wandeling deint uit naar Bond Street, waar we de metro namen om in de buurt van Holborn iets te drinken in Ye Olde Mitre. Het soort pub waar je graag stamgast wil worden.

Maar met al dat gewandel, onthoud ik u nog het hoogtepunt.
Ergens, in de buurt van Park Lane, is het kantoor van EON discreet weggemoffeld boven Hard Rock Café. Ajay had me juist getipt in welke pub je EON-lui kunt treffen, als hij naar zijn borstzak tastte en duidelijk een paniekaanval doorstond. Zijn sigaretten waren op. Gelukkig stonden we net voor een klein winkeltje, een voorschot groot, het soort nachtwinkeltje van bij ons. Achter de toonbank een man van Indische afkomst. In de piepkleine ruimte was nog plaats voor één andere man, gekleed in een lange regenmantel, hoewel het buiten uitermate zonnig was. Ik had dadelijk het gevoel, dat ik die man kende, je weet wel, het soort uniform gezicht dat je overal meent te herkennen. Maar Ajay kende hem ook, en wel meteen. Ajay stelde zich aan hem voor, waardoor ik vermoedde dat de twee elkaar vroeger hadden ontmoet. Niks bijzonders, Ajay had dezelfde dag nog twee andere mensen de hand geschud. De mysterieuze man leende even beleefd zijn hand, schonk een vage glimlach en stapte doodgemoedereerd naar buiten.
Ajay was in alle staten. Hij greep me bij de mouw.
“Did you recognize him?”
“Should I?”
“Michael G. Wilson, yes indeed, you bloody well should.”
Al wie ook maar een beetje 007-bubbels in zijn bloed heeft, beseft meteen dat dit een onwaarschijnlijk hoogtepunt is voor elke Bondfan. Michael G. is de stiefzoon van Cubby B. Samen met Barbara Broccoli verantwoordelijk voor alle Bondfilms sinds Pierce Brosnan. Had dus zonet de paus gezien zonder aan een Weesgegroetje te denken.
Het strafste moest nog komen.
Ajay, helemaal ondersteboven van wat ons zojuist overkwam, vroeg aan de uitbater of hij de vorige klant kende.
“O die, iemand van EON, denk ik.”
“Michael G. Wilson, you don’t know?”
“No, but I do get every year invitations from them, from EON. I think I still got one here.”
Waarop de man tussen zijn schaarse administratie scharrelde en nonchalant twee kaarten voor de World Première van Casino Royale toonde, November 2006, nu bijna twee jaar geleden. Hij haalde zijn schouders op.
“I never can go, but they’ll keep giving.”
De blik tussen Ajay en mezelf sprak boekdelen. Wie zou die kerel als eerste omleggen? We hebben het maar niet gedaan, maar bij nader inzien weet ik nu waar ik eind dit jaar tickets ga halen. Gratis. Allé, voor een pakje sigaretten.

From Raymond, with Love

P.S. Een goede journalist waardig haat Ajay de belangstelling. Toen ik hem fier meldde dat hij in een column van mij zou verschijnen werd ik bijna geëxcommuniceerd. Ik stel voor dat we dit, met dat plasje dat ons scheidt, dus stil houden. Ik vind Ajay te belangrijk om hem te bedelven onder een pseudoniem.