Crisis in Lippensville

Speurder Luk Borré en zijn lief Rena ondervragen iemand met de veelzeggende bijnaam het Litteken. Borré legt hem op de rooster maar raakt overtuigd van zijn onschuld.

Hij loopt naar buiten, waar zijn vriendin vraagt: “Is hij dood?”
“Nee, want hij is het niet.” antwoordt Luk Borré.
“Hoe zeker ben jij daarvan?”
“Negenennegentig procent.”
Waarop Rena naar het huisje rent en Litteken een kogel door het hoofd jaagt. De helft van zijn schedel is weg.
“Negenennegentig procent is verdomme niet genoeg,” krijst ze.
In eerste instantie is dit grappig: heetgebakerd vrouwtje en zo. Maar het misstaat in een degelijke politieroman. Er moeten meer argumenten zijn voor een burger op die manier het recht in eigen handen neemt. Zo doe je dat dus niet.
Deze scène is tekenend voor de toon in Crisis in Lippensville. Jos Pierreux stelt nu al een roman of zes Luk Borré centraal in zijn biotoop Knokke, tevens de stek van Burgemeester Lippens, die regelmatig opduikt als edelfigurant. In zijn vorige titels (Het trio dat iets te vieren had, het viervijfde principe, La réserve en de vloek van het zesde gebod) hield hij een spielerei aan, die de man moet typeren. Pierreux is een meester in het beschrijven van personages en situaties. Je hebt een perfect visueel idee van wat er gebeurt. Maar de plot is flinterdun en bovendien fel versneden. Het duurt zeer lang voor je door hebt wat er nu eigenlijk gaande is. Op het einde haken de knoopjes wel in elkaar, maar dan heb je je toch al ettelijke bladzijden geërgerd over het absurde verloop.