De Bandiet

Het geromantiseerde leven van Renato Vallanzasca

Renato Vallanzasca is wat je noemt een zware jongen. Hij is nu 61 jaar en heeft nog 4 keer levenslang voor de boeg. Hij leefde dan ook al zijn levens op voor hij dertig was. In de jaren zeventig was hij een van de grootste gangsters in Italië, il numero uno, een reputatie die hij zich op de hals haalde door zijn ontelbare overvallen, brutale moorden en sensationele ontsnappingspogingen. Italië kende in die tijd nochtans heel wat belangrijkere misdadigers, die echter beter de kunst verstonden achter de schermen te blijven. We denken aan de grote Maffiafamilies, maar ook aan de kleine groep samenzweerders die met anarchistische ingrepen het staatsapparaat poogden te blokkeren. Misschien herinnert u zich nog dat het in de jaren zeventig wel leek of de Maffia Italië had overgenomen.

 

In dat licht wordt het verhaal van Renato Vallanzasca tot ware proporties terug gebracht. Renato was een straatjoch, opgegroeid in Milaan, dat met de nodige branie het geld ging halen waar het zat: bij winkeliers en banken. Wiens borst gloeide bij de ronkende krantenkoppen van de volgende ochtend, en met het gepikte geld gelijk grote sier maakte. Low profile is een Engelse term die hij nooit zou leren. Hij wordt gearresteerd als hij nauwelijks 22 is, door een forensische blunder. In de gevangenis wordt hij vader van een zoon. Renato ontsnapt en verzamelt zijn oude gang, begint opnieuw aan een reeks overvallen, een stuk of zeventig, waarbij deze keer vier doden vallen. Wordt opnieuw gearresteerd. Ontsnapt weer, enzovoort en zo verder. Niet wat je een meesterbrein zou noemen, omdat hij in het echte leven voortdurend tegen de muren van vrijheid opbotste.
Over deze leuke jongen schreef Vito Bruschini een boek: De Bandiet.(Vallanzasca. Il romanzo non autorizzato del nemico publico numero uno).
Non autorizzato betekent dat Brushini voor een ernstige biografie geen toegang kreeg tot alle gegevens, noch de autoriteit bezat van een nog levende gangster een portret te maken. Bruschini, een journalist, verkoos publiek bekende gegevens in een omhulsel te stoppen van geromantiseerde non-fictie. Maakte van Renato Renatino, veranderde wat accenten aan de andere hoofdfiguren, schrijft een alibi op bladzijde drie, en hop, verkoopt nu zijn werk als fictie, dat niet de pretentie zou hebben historisch exact te zijn. Zo kan hij naar hartenlust van alle walletjes tegelijk eten. De maatschappelijke ontwikkelingen van die tijd worden nu gecentrifugeerd binnen hetzelfde verhaal, alsof Vallanzasca de centrale figuur zou zijn die het allemaal ontketende. Voor Bruschini wordt Renato uiteindelijk de ideale wraakengel van die anarchistische groep, een uitgelezen instrument om de maatschappij te ontwrichten. Hij krijgt dus zowaar politiek belang, Vandaar dat het boek begint met het vliegtuigongeluk van 5 mei 1972, als een vooruitgeworpen schaduw van mysterie en terreur. Alle inzittenden, 115 met de crew inbegrepen, kwamen daarbij op verdachte manier om het leven..
Bruschini probeert het, ondanks de overvloedige details, vlot te brengen, maar kan niet verhullen dat zijn hoofdpersonage weliswaar gemeen, explosief en onnodig wreed is, maar binnen de geschiedenis van Italië slechts een onbelangrijke voetnoot blijft. Nergens krijg je empathie, wat toch wel de bedoeling is van deze stijlvorm. Nadat de lezer zich een weg heeft gewaad door dit onmetelijke bloedbad, veroorzaakt door knap veel doorzeefde lijken en kapotgesneden magen, krijgt hij geen enkele loutering. Of het zou de geruststelling moeten zijn dat Renato Vallanzasca tegenwoordig zijn dagen doorbrengt met het maken van kartonnen dozen.