De Taalgrens

De Taalgrens van Brigitte Raskin is een historisch accuraat traktaat, een objectieve graadmeter en een goed geschreven tijdsdocument. Het situeert de taalgrens ten tijde van de Romeinen, toen die precies in onze contreien de rijksgrens vastlegden. Ten zuiden ervan werd iedereen en alles onderworpen aan de Gallo-Romanisering. Noordelijk mochten Germanen en Franken het overnemen. Daar en daar alleen ligt de oorsprong van onze taalgrens: een letterlijke breuklijn tussen twee culturen.

Uitgerekend de Franken, die hun naam aan Frankrijk gaven en al wat Frans is, zijn de oervaders van het Nederlands en de grondleggers van de taalgrens die België zo verdeelt. Brigitte Raskin legt heel nauwgezet uit hoe die taalgrens door de eeuwen heen een aantrekkelijke voorwaarde werd om zaken te doen. Taalgebruik was daarbij van ondergeschikt belang, de economische transactie primordiaal. Grensbewoners probeerden met elkaar contact te houden en conflicten te vermijden. De taalgrens was een godsgeschenk voor wie er woonde. Die ambivalentie zette zich verder tijdens de periode van de leenstelsels, en ook de Spaanse en Oostenrijkse overheersers hielden de microkosmos van de taalgrens intact. Dat zou veranderen vanaf het einde van de 18e eeuw. Frans was intussen de cultuurtaal van Europa geworden en Napoleon wilde dat iedereen in zijn rijk Frans sprak. Langzaam maar zeker vormde zich een elite die hun kinderen naar Franstalige scholen stuurde en het openbare leven in het Frans organiseerde. Het Nederlandse Koninkrijk zorgde voor een onderbreking van vijftien jaar, maar de regeringsfunctionarissen van Willem I pakten hun kolonisering volkomen verkeerd aan. De verdediging van de volkstaal in Vlaanderen (boven de Romeinse taalgrens van weleer) wordt voortaan georganiseerd door individuele oproerkraaiers van enige renommee: Jan-Baptist David en Jan Frans Willems. Het zijn de voorlopers van een taalstrijd, die nog steeds niet is gestreden, maar wel behoorlijk ingewikkeld werd.