Eén beeld is duizend woorden waard

Deze Confuciaanse wijsheid mag dan staan als een huis, het is vooral indicatief voor wie professioneel met beelden bezig is: fotografen in de eerste plaats, kunstenaars bij uitbreiding.
Schrijvers zijn hier de buitenbeentjes, de uitzondering op de regel. Bij hen zijn die duizend woorden wél belangrijker dan dat beeld. Vervang “duizend woorden” door “verhaal”, en je weet wat ik bedoel.

Ik ga me hier niet voordoen als een Jim-Madison-in-de-dop. Niet aan mij om u, eender wie, een lesje, eender wat, te verkopen. Maar deze week had ik een ervaring die mijn persoonlijke gloed zo aanwakkerde, dat ik niet anders kan, dan er over te schrijven. Een borrelend verlangen, wordt zoiets wel eens omschreven. O ja, en het heeft niks met 007 te maken. Misschien blijft u dan wel lezen.

Ik zag deze week namelijk een hele rij mensen elkaar een kus geven, één volle minuut lang. Ik heb daar bij geweend: tranen met tuiten. Goed, het was twee uur ’s nachts en ik had twee Stella’s, één Earl Grey en één Aberfeldy gedronken, maar dat is peanuts voor mijn dagelijks vermogen. Ik zag dus mensen kussen, hartstochtelijk en vertederend, smekkend en lavend, hartverscheurend. En ik kwam niet bij van het snikken.
Tot zover het beeld. Nu het verhaal.

cinemaparadiso1Mensen van mijn generatie hebben de bioscoopcultuur zien floreren, afgaan en zich uiteindelijk weer weten te herpakken. Het artikel “De verlichte stad”, elders op deze site, vertelt je dat meer in detail. Van een familiale beleving is cinema doorgeschoven naar de Jugendausbildung van tegenwoordig. Van puber tot adolescent: de mental coach voor ontluikende persoonlijkheden. Iets wat niet teveel kost, als je tenminste je popcornverslaving in de hand kunt houden.

Ooit was cinema dus het sociale ankerpunt voor een heel dorp. Dat dorp, een microkosmos van armoede en eenvoud, haast voltallig joelend, genietend, huilend, absorberend, een verpauperde gei in acute extase. Iedereen, open en bloot, smachtend naar die onbereikbare wereld. Dialogen rot van buiten opdreunend, lachend voor de burleske humor op het scherm van vallen en uitschuiven. Een massale meditatie, kinderen vooraan op de grond: een misdienst met volle goesting. Je had de snoodaards die de hele dag in het donker bleven zitten voor dezelfde film. Enkelingen die de donkere kantjes van de zaal benutten om te dutten, te neuken, te spuwen. Een enkele flirt, vele plagerijen, solidair gehoon. Het zijn der traagheid, het dal der verworpenen, het centrum van intensiteit. Dàt was cinema!

Ik heb het over mijnheer pastoor met zijn protserige belletje, zichtbaar gebukt onder zijn loodzware taak om het genieten te bestraffen. Zijn schapen te behoeden voor verderf, als daar zijn: de kus, de omhelzing en de streling. Eruit, die verlokkingen, de schaar erin. De projectionist vouwt dan braaf een briefje tussen de filmspoel, zodat hij de scène later op zijn gemak kan knippen.

Neem nu die projectionist, een mature man, kent de klappen van het leven. Bedreven in zijn vak, niet te beroerd zijn diploma lagere school te behalen, samen met de andere nietsnutten uit het dorp. Moet daarvoor spitsroeden lopen in de klas van 7-jarigen. Wiens diepe gedachten fel lijken op de oneliners van het grote scherm. Levenslessen die hij bewaart voor zijn vriend, die 7-jarige bengel, die niet bij hem uit de cabine is te slaan, hem helpt bij het opleggen van de filmspoel.

Neem nu die bengel, die later uit het dorp trekt en een beroemde regisseur wordt. Pas na dertig jaar weerkeert in het dorp, omdat zijn oude vriend, blind intussen, stierf en wordt begraven. Het dorp dat hij heeft verdrongen. Zijn oude liefde in andere armen, zijn cinema tegen de grond voor een parking. Oude bekenden gunnen hem een blik, een woord, een teken dat jaren van stilte overbrugt. Zijn oude moeder, bij wie hij zijn hart uitstort. Aan wie hij bekent dat hij ondanks zijn succes rusteloos is gebleven, verteerd door liefde en nostalgie. Zich verontschuldigt voor zijn egoïsme. Die onvertelde, altijd aanwezige zekerheid dat tijd wonden heelt, relaties polijst, gevoelens begraaft.
Een dorp dat duizend doden sterft. De tijd die maalt en vermorzelt. De dorpshoer die oud wordt, de dorpsgek die steevast zijn rondjes blijft lopen, zij het nu doorheen een meute geparkeerde auto’s. Ah, nostalgie: het goede, het kwade, het vermaledijde.
Deze traagheid van het bestaan, geprangd in drie uur, heb ik dus vrijwillig ondergaan. Wie darmen in zijn lijf heeft, doet daarbij aan introspectie. En huilt. Huilt. Stilletjes vanwege het eigen manco aan fond, de eigen pijn van leegtes, de onvermijdelijke onvolmaaktheid.

Wie het nog niet moest door hebben. Dit is het verhaal van (Nuovo) Cinema Paradiso. De projectionist heeft de trekken van Philippe Noiret. De bewoners van Giancaldo zijn picturale, onbekende Italianen. Koppen. Karakters. De 7-jarige bengel is om te snoepen.
cinemaparadiso2Ik had Cinema Paradiso al twee keer eerder gezien, lang geleden nu. Wist dat ik het op het eind moeilijk zou krijgen, maar ik ben blijkbaar nog zwakker geworden: ik kreeg het al kwaad na een uur of zo, bezegend met dat slechte geheugen van mij, zodat ik telkens opnieuw kan beleven. Structuur onthoud ik, maar details vergaan op de humus van eerder verteerde herinneringen. Oprispend bij hernieuwde agitatie.

Dan die eindscène. Bengel, vijftig nu, vindt al die weggeknipte stukjes film en laat ze aan elkaar lassen. En daar heb je het dan: die zee van kussen uit films van de jaren veertig en vijftig. Zwelgend, zwoel en pakkend. Al wat het gepeupel werd onthouden door de plaatselijke clerus. Mensen die verdrinken in mensen: de start van nieuw leven. Fijngemalen tot essentie door de koker van tijd. Genietend van genot.

Wie dan nog zijn kaken droog houdt in het donker, mag zijn vinger opsteken…

From Raymond, with Love