Julia

Het magische huis in Kensington

Peter Straub is een Amerikaan van ver in de zeventig met een kleine waslijst boeken. Na wat dichtbundels verscheen zijn eerste horrorroman in 1973: Marriages. Julia werd in 1975 uitgegeven. Maar het is pas met Ghost Story (1979) dat Straub zijn naam maakte. In zoverre zelfs dat Stephen King hem in het oog kreeg en hem de hemel in prees. Geen toeval dus dat beide heren sporadisch samenwerken. (The Talisman, Black House). Een derde boek wordt in het vooruitzicht gesteld. Peter Straub mag dan geen grote naam zijn, het wereldje kent hem wel. Wellicht daarom dat een van zijn eerste werken, Julia, opnieuw wordt uitgebracht.

Slechts vier hoofdpersonages dragen Julia, dat speelt in het Kensington van 1974. Dat was nog de tijd dat telefoons rinkelden, informatie opzoeken een exclusiviteit voor bibliotheken was, en Londen niet verzoop in een verkeersinfarct.

Julia Lofting, een Amerikaanse van goede komaf, woont al tien jaar in Londen, maar loopt net nu weg van haar dominante man Magnus. In een impuls koopt ze een riant huis vlak bij Holland Park. Nog met de makelaar aan de voordeur merkt ze in een flits een jong meisje met lang blond haar, dat sprekend op haar overleden dochtertje Kate lijkt. De volgende dag ontmoet ze het meisje opnieuw, verwikkeld met andere kinderen in een spelletje dierenverminking.
Het nieuwe huis speelt dadelijk zijn sinistere rol en wordt haast een levend wezen. De temperatuur in alle kamers is onregelbaar hoog, uit alle waterkranen druipt bruine smurrie en overal klinken kreunende geluidjes. Julia bezwijkt niet en ontvangt het meditatiegroepje van haar schoonzus Lily, waarmee ze nog contact onderhoudt. Hier peddelt de heerlijke Ms Fludd door het verhaal. In het belang van haar geestelijke contacten, commandeert ze Julia met een vanzelfsprekende dédain, en doet haar in eigen huis van hot naar her rennen. Ik zou zo iemand dadelijk weer door het raam knikkeren, maar Julia schenkt dus een glaasje sherry. Als de seance eindelijk doorgaat krijgt Ms Fludd dadelijk een teken dat Julia in doodsgevaar is. In niet mis te verstane bewoordingen bezweert ze Julia onmiddellijk te vertrekken.

Maar Julia blijft en wordt stilaan bezeten door een groeiende sfeer van krankzinnigheid, al dan niet gestuurd door tal van magisch realistische incidenten. Julia probeert op eigen houtje te ontdekken wat het huis bezielt, en wat dat met haar heeft te maken. Daardoor komt ze in contact met de vorige bewoners en ontdekt ze dat in dit huis een kindermoord is gepleegd. Dat dit simultaan loopt met haar eigen leven en ze hier in feite voor op de vlucht is, komen we samen met haar pas later te weten.

Julia biedt weerstand maar wordt als een flipperbal voortgestuwd tussen de drie andere personages. Haar man Magnus probeert haar te intimideren door voor klopgeest te spelen. Zijn stiefbroer Mark is heel wat milder gestemd, maar niet zonder eigen belang. Lily tenslotte speelt de volmaakte intrigante en denkt in de eerste plaats aan het familievermogen. (dat van Julia wel te verstaan). Die flipperbal is meteen de perfecte symboliek voor de stijl van het verhaal, waarin niet een normale mens lijkt rond te lopen.

Peter Straub slaagt er in om de factor geloofwaardigheid stevig in handen te houden. Hij laat het magische realisme aan de rand van het gebeuren en biedt de lezer de tweespalt aan tussen realiteit en fantasie. In combinatie met zijn goede schrijfstijl ben je geneigd het boek pakkend te noemen. Je zit voortdurend in het hoofd van Julia en in de tweede helft ook in dat van de drie andere protagonisten. Doch het onophoudelijk dolen van Julia, die van het ene ongelukje in het andere sukkelt, voortdurend wordt opgejaagd en aldoor onredelijke beslissingen neemt, maken dit verhaal tot een opeenstapeling van treurnis en doem. Ik zag met plezier de laatste bladzijde naderen. En dat is geen compliment.