Moord in Pompeï

Vertaler wordt detective

Saepe in magistrum scelera redierunt sua, een uitspraak van Seneca, het Latijnse equivalent van het boontje dat om zijn loontje komt. Het zet meteen de toon van Moord in Pompei.

Gaston Van Camp is een oud-leraar Geschiedenis en Nederlands, goed geplaatst is hij alleszins. Als auteur heeft hij jarenlang kunnen rijpen met jeugdboeken en historische werken. Pas in 2002, bevrijd van het onderwijzersjuk, pleegde hij zijn eerste misdaad (De Zaak Myrtion). Daarna volgden nog: de zaken Crispina (2003), Flavia (2004) en Aurelia (2005), allemaal opgelost door huisspeurder Homeros Grafikos. Tijdens de geluidsstilte is Grafikos blijkbaar met pensioen gegaan, want nu worden de honneurs waar genomen door Silius Boreas.
De roman begint met de historische aardbeving van Pompei, in het jaar 62. Daardoor sneuvelden de meeste gebouwen van de mooie stad aan de Vesuvius, die haar definitieve einde pas 17 jaar later zou kennen, in 79, wanneer de Vesuvius haar lava en dodelijke stofwolken over de omgeving zal storten.
Temidden de puinhopen van Pompei vecht de 16-jarige Serna met haar eigen drama. Haar verloofde breekt met haar onder dwang van zijn mecenas. Hij vindt de dood onder een instortend gebouw. Ook Serna’s moeder komt om en van haar vader, Gavius Valens, moet ze al niet veel goeds verwachten. Serna vlucht naar Egypte.
Na Serna’s cursief gedrukte inleiding beland je tien jaar later in het atelier van Silius Boreas, een antiekhandelaar. Van Gavius Valens krijgt hij de opdracht een geheim perkament te zoeken, dat compromitterend is voor de toekomst van Gavius. Silius brengt regelmatig rapport uit bij Gavius, die je haast kan rollen van vraatzucht en arrogantie. Zijn mecenaat indachtig is er sprake van een dichter, die als een kluizenaar bij hem aan zijn Alexandrijnen werkt, maar vooral van diens beeldmooie Ethiopische vriendin Ziddana die haar begaafdheden op een meer aardse manier inzet. Wanneer zij hoort dat Gavius veel geld over heeft voor de papyrus in kwestie, voelt ook zij plots haar detectivehart kloppen.
Tot bewijs van het tegendeel kan je wel op Van Camp vertrouwen voor een correcte weergave van het provinciestadje Pompei, net voor de Apocalyps. Gebouwen, namen, gebruiken en rituelen, als het al niet ergens geboekstaafd staat, wordt het wel geloofwaardig aangebracht. Lezers met een drang naar historische accuraatheid worden door hem op hun wenken bediend. Voor decor en tijdsbeeld verdient deze ex-schoolmeester dus dikke tienen.
Voor het detectiveverhaal dat Van Camp door zijn historisch pamflet weeft, gelden echter andere normen. Ontdaan van alle Romeinse gewaden en erotische toespelingen blijft er slechts een mager beestje over. Het is zeker toelaatbaar dat bij gebrek aan detectives in de eerste eeuw na Christus Van Camp zijn gading zoekt bij een vertaler zoals Homeros Grafikos, of een antiekhandelaar, zoals hier Silius Boras, kortom lieden bij wie research een essentiële drijfveer vormen. Silius geraakt stap voor stap vooruit door tipgevers en straathoertjes in te schakelen, iets waar zijn moderne antipoden zich ook veelvuldig aan bezondigen. Maar de estafetteloop van Silius heeft niet veel anders om het lijf dan van punt A naar punt B gaan, als een toeristische zoektocht in het oude Rome.
Zeden en gewoonten mogen historisch geverifieerd zijn, gedragingen en dialogen van de personages zijn verrassend hedendaags. Spitsvondig kan je ze zelden noemen, vermits primaire gevoelens als hebzucht, jaloersheid en verleiding de drijfveren zijn van de plot. Besluit: een geknipt verhaal voor Young adults. Als thriller gebuisd.