Pan

Pastoor Geeraerts werd vermoord, de handen op de rug gebonden. Tientallen keren gestoken: een bloedbad dus op het kerkelijk tapijt.

Rechercheurs Raoul De Vuyst en Suzanne Jacobs krijgen deze moord op hun bord, Tom Beckx is de wetsdokter van dienst. Toch is het de wetsdokter die met de hoofdrol in het verhaal gaat lopen. Tom is een wat gesloten jongeman, vrijgezel, wiens zwakke plek de aandacht voor vrouwelijk schoon lijkt te zijn. Hij pikt immers meiden op in bars. 

Toch loopt hij in de aandacht van Suzanne, die hem meermaals komt opzoeken, en niet altijd om professionele redenen. Raoul van zijn kant is de etter van dienst, een onuitstaanbare vent die iedereen tegen zich in het harnas jaagt, maar die zich gedekt weet door zijn nonkel, de politiecommissaris.

Dat zijn de psychologische banen waarbinnen Maes & Wade hun hoofdpersonages laten bewegen. Om ze bezig te houden, zadelen ze hen op met een seriemoordenaar, die zijn ideologische heil zoekt in de aanbidding van Pan. En Pan gebiedt de seriemoordenaar regelmatig te moorden, zo bloederig mogelijk.

Het is zowaar Tom die de nodige sporen begint te ontdekken.

Een zwerver is het tweede slachtoffer. Schooldirecteur Jos Van Dael de volgende. Vanaf drie heb je een seriemoordenaar. “Pan aarzelt niet. Pan aarzelt nooit.”

Directeur en onderdirecteur van die school leken water en vuur,  wat voor Raoul meteen een springplank biedt voor voorbarige conclusies.

In dit onhandig vertelde verhaal proberen de auteurs originele invalshoeken te vinden, maar net daardoor vervallen ze in de meest versleten clichés. Een moordenaar die om de zoveel bladzijden zijn mystieke gebrabbel mag bazelen is bij aanvang mystiek maar naar het eind rotvervelend. Een wetsdokter die meer dan de nodige vaststellingen doet, is origineel, maar onwettelijk. Een rotvent als Raoul gebruiken als bliksemafleider: dat werkt voor enkele hoofdstukken.

Pan voegt niets toe aan de serie geschifte zelfmoordenaars uit de geschiedenis.